top of page

The Story

Niemand wist precies wanneer de eerste sticker verscheen.

 

Hij zat geplakt op de achterkant van een verkeersbord, een onopvallende plek maar goed zichtbaar voor de oplettende mens. Een zwart-wit logo: een figuur die net over zijn schouder keek. Een skelet dat met een wazige verbaasde blik de wereld in kijkt. Daaronder stond niets. Geen naam. Geen website. Geen QR-code. Alleen dat beeld. Wat is het doel ervan, welk bericht wil men hiermee overbrengen? Niemand weet het.

In het begin viel het nauwelijks op. Eén sticker. Maar in de loop van tijd doken ze overal op. Op bruggen, op lantaarnpalen, onder bankjes bij bushaltes. Zelfs op plekken waar je eigenlijk niet bij kon — hoog op muren, diep in tunnels, op verlaten industrieterreinen. Ze verschenen door heel Nederland, in dorpen, steden en op het platte land. Mensen begonnen erover te praten. Waar komen ze vandaan, is het wel Nederlands, wat is het doel. Er ging een gerucht dat de stickers geen reclame waren, maar markeringen. Dat ze misschien plekken aangaven waar iets… gebeurde of gebeurd was. Dat als je er eentje lang genoeg bekeek, je soms het gevoel kreeg dat het figuur niet alleen omkeek — maar naar jóu keek. De eerste keer dat jij er echt op lette, was op een regenachtige avond. Je stond te wachten op de laatste bus, die zoals altijd te laat was. Het station was leeg. Fluorescerend licht flikkerde boven je hoofd. En daar, op de zijkant van het bushokje, zat er weer zo’n sticker. Maar deze was anders. Verser. Schoner. Alsof hij net geplakt was. En er zat iets onder geschreven. Heel klein. Met een dunne, bijna trillende hand: "Als je hem ziet kijken, ben je al te laat." Je keek weg. Natuurlijk keek je weg. Maar ergens bleef het knagen.

De dagen erna zag je er meer. Steeds vaker. En dichterbij huis. Je zag er één op een verkeerslicht. Je wist zeker dat hij er de avond ervoor nog niet zat. Je begon de stickers te tellen. Eén, vijf, twaalf. Gaven ze wellicht een route aan? Ze leken een patroon te vormen. Van het centrum naar de rand van de stad. Van drukke plekken naar verlaten gebieden. Je volgde die route. Straat na straat werd stiller. De lichten minder. De geluiden verdwenen. Tot je uiteindelijk bij een oud gebouw kwam dat je nog nooit eerder had gezien — wat vreemd was, want je woonde hier al jaren. Een oude fabriek. Dichtgetimmerde ramen. Roestige hekken. En daar, op de metalen deur, zat het grootste logo tot nu toe. Niet een sticker maar geverfd. Je wist dat je moest omdraaien. Iedere vezel in je lichaam zei: ga weg. Maar je hand bewoog al. De deur kraakte toen je hem openduwde. Binnen was het donker. Niet gewoon donker — dik, zwaar, alsof het licht hier niet welkom was. En toen hoorde je het. Muziek. Zacht. Pulserend. Alsof het door de muren ademde. Je liep verder. De gang leidde naar een trap. Naar beneden. Dieper. Onder de grond. De muziek werd sterker. Het ritme begon synchroon te lopen met je hartslag. Beneden was een deur. Achter die deur: licht. Bewegend licht. Schaduwen die dansten. Je opende hem. En daar was het. De club. Mensen — als je ze zo kon noemen — bewogen op de muziek. Maar niemand sprak. Niemand lachte. Hun gezichten waren half verborgen, half… anders. En overal dat logo. Op muren. Op kleding. Op de huid van mensen, getatoeëerd of erger.

Toen draaide iemand zich om. Langzaam. Precies zoals op de sticker. En je besefte iets verschrikkelijks. Het was geen symbool. Het was een waarschuwing. Want iedereen hier…   …had ooit een sticker gezien. En was blijven kijken.

bottom of page